- Home
- Nieuws & wetgeving
- Meerwaardebelasting: de impact bij verkoop en familiale planning
15-02-2026
Meerwaardebelasting: de impact bij verkoop en familiale planning
Wat ligt er vandaag op tafel en wat betekent dit concreet vanaf 2026?
Intussen is dit dossier een fase verder: het voorontwerp werd goedgekeurd.
De beoogde inwerkingtreding blijft 1 januari 2026. Concreet betekent dit dat, zodra de wet wordt aangenomen en gepubliceerd, zij van toepassing zal zijn op meerwaarden gerealiseerd vanaf 1 januari 2026.
Hierbij de belangrijkste elementen van de huidige ontwerptekst met onder andere wat dit in de praktijk betekent voor beleggers en ondernemers:
Toepassingsgebied: wie en wat wordt geviseerd?
De nieuwe belasting viseert gerealiseerde meerwaarden op financiële activa die worden aangehouden buiten enige beroepsactiviteit.
Zij zal van toepassing zijn op natuurlijke personen onderworpen aan de Belgische personenbelasting en op rechtspersonen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting, zoals vzw’s en stichtingen. Vennootschappen blijven buiten het toepassingsgebied.
Het gaat uitsluitend om overdrachten onder bezwarende titel. Met andere woorden: er moet een effectieve verkoop of overdracht tegen vergoeding plaatsvinden. Een loutere waardestijging zonder realisatie blijft onbelast. Eveneens buiten scope vallen schenkingen en erfenissen als dusdanig, al kan bij een latere verkoop door de begiftigde of erfgenaam wel belasting verschuldigd zijn.
Onder “financiële activa” verstaat het ontwerp onder meer aandelen, obligaties, fondsen en ETF’s, bepaalde levensverzekeringen (tak 21, 23 en 26), crypto-activa, valuta en beleggingsgoud. Pensioenfondsen en groepsverzekeringen blijven onder hun eigen fiscaal regime vallen.
Het onderscheid tussen beroepsmatig handelen, speculatief gedrag en normaal privébeheer blijft bestaan. De nieuwe meerwaardebelasting geldt enkel voor meerwaarden binnen het normaal privébeheer.
De kwalificatie van jouw verrichtingen blijft dus cruciaal.
Drie regimes, drie logica’s (en waarom de kwalificatie cruciaal is)
Net zoals in de voorontwerpen wordt in de huidige ontwerptekst gewerkt met drie categorieën van meerwaarden.
- Interne meerwaarden - 33%
Interne meerwaarden ontstaan wanneer aandelen worden verkocht aan een vennootschap die door de verkoper zelf wordt gecontroleerd, al dan niet samen met naaste familieleden.
De wetgever beschouwt dergelijke overdrachten in beginsel als fiscaal geïnspireerd. Op deze meerwaarden geldt een tarief van 33 %, zonder enige vrijstelling.
Daarnaast voorziet het ontwerp een specifieke rapporteringsplicht voor wie dergelijke structuren bedenkt, aanbiedt of implementeert. De precieze afbakening van wie hieronder valt is op vandaag echter nog niet volledig uitgeklaard.
- Aanmerkelijk belang - gunstiger progressief regime
De tweede categorie betreft meerwaarden bij verkoop van aandelen waarvan de participatie van de belastingplichtige minstens 20 % bedraagt.
Voor deze categorie geldt een vrijstelling van 1.000.000 EUR aan meerwaarden over een periode van vijf jaar. Boven dat bedrag zijn progressieve tarieven van toepassing tot maximaal 10 %.
De 20 %-drempel wordt strikt per persoon beoordeeld. Aandelen van echtgenoten of andere familieleden worden niet samengeteld. Wie zelf 18 % bezit en wiens partner 5 % bezit, kwalificeert dus niet.
Ook bij onverdeeldheden wordt per deelgenoot afzonderlijk gekeken.
- Algemeen regime - 10%
Alle overige meerwaarden vallen onder het algemeen regime, met een vlak tarief van 10 % op de netto-meerwaarde.
Er geldt een jaarlijkse vrijstelling van 10.000 EUR per belastingplichtige, te indexeren. Een beperkt niet-benut gedeelte (maximaal 1.000 EUR per jaar) kan gedurende vijf jaar worden overgedragen, zodat de totale vrijstelling kan oplopen tot 15.000 EUR.
Gerealiseerde minderwaarden zijn enkel verrekenbaar binnen hetzelfde belastbare tijdperk en kunnen niet worden overgedragen naar latere jaren.
Enkele vrijstellingen in the picture
Ten opzichte van eerdere versies bevat de ontwerptekst twee bijkomende vrijstellingen.
Zo wordt een specifieke vrijstelling ingevoerd voor uitonverdeeldheidtredingen naar aanleiding van overlijden, echtscheiding of beëindiging van samenwoning, op voorwaarde dat deze binnen drie jaar plaatsvinden. De verrichting zelf wordt dan niet belast, maar bij latere verkoop wordt teruggegrepen naar de oorspronkelijke referentiewaarde. In veel gevallen gaat het dus om een uitstel van belasting.
Daarnaast wordt verduidelijkt dat dubbele belasting moet worden vermeden wanneer inkomsten reeds onder een ander regime werden belast, zoals onder de Kaaimantaks.
Daarnaast willen we even afzonderlijk stilstaan bij een specifieke en in de praktijk bijzonder relevante situatie, namelijk de inbreng van aandelen in een vennootschap.
Het wetsontwerp voorziet uitdrukkelijk dat meerwaarden op aandelen die worden gerealiseerd bij een inbreng in een vennootschap (inclusief maatschap) niet onderworpen zijn aan de nieuwe meerwaardebelasting.
De wetgever koppelt hier twee belangrijke voorwaarden aan.
- Ten eerste leidt de gerealiseerde meerwaarde niet tot de vorming van fiscaal kapitaal bij de ontvangende vennootschap. Met andere woorden: hoewel de aandelen tegen hun werkelijke waarde worden ingebracht, wordt die meerwaarde fiscaal niet omgezet in kapitaal dat later belastingvrij kan worden terugbetaald.
- Ten tweede wordt de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van de ingebrachte aandelen doorgeschoven naar de aandelen die men in ruil ontvangt. De fiscale kostprijs blijft dus ongewijzigd.
Het praktische gevolg is dat bij een latere terugbetaling van kapitaal (of inbreng bij een BV) of bij een verkoop van de nieuwe aandelen sneller sprake zal zijn van een belastbare meerwaarde of een belastbaar dividend.
De belastbare basis en het cruciale belang van waardering
De belastbare basis is het positieve verschil tussen de ontvangen prijs en de “aanschaffingswaarde”.
Voor activa die vóór 1 januari 2026 in bezit zijn, wordt in het ontwerp een vast referentiepunt gehanteerd: de waarde op 31 december 2025. Deze referentiewaarde vormt de nieuwe fiscale aanschaffingswaarde voor toekomstige meerwaardeberekeningen. Historische meerwaarden opgebouwd tot en met 31 december 2025 blijven buiten schot en worden niet belast.
Het gevolg is dat alle realisaties vanaf 1 januari 2026 enkel worden belast op de waardestijging die na die referentiedatum ontstaat.
Voor beursgenoteerde activa is dit relatief duidelijk: de referentiewaarde is de slotkoers op 31 december 2025.
Voor niet-beursgenoteerde activa (zoals aandelen in een familiale vennootschap) zijn de waarderingsregels complexer. Het ontwerp voorziet dat de referentiewaarde bepaald wordt aan de hand van een van de volgende methodes, waarbij de hoogste waarde geldt:
- de waarde die is gebruikt in een echte transactie tussen onafhankelijke partijen in 2025;
- de waarde die voortvloeit uit een contractuele waarderingsformule die op 1 januari 2026 nog geldig is;
- een forfaitaire standaardwaarde nl. de som van het eigen vermogen plus vier keer de EBITDA volgens de laatste rekeningen vóór 1 januari 2026.
Daarnaast laat het ontwerp expliciet toe dat de belastingplichtige kan kiezen voor een onafhankelijke waardering door een bedrijfsrevisor of erkende accountant, op basis van algemeen aanvaarde waarderingsmethoden. Deze onafhankelijke waardering kan worden vastgesteld tot uiterlijk 31 december 2027.
In de praktijk zal de wettelijke standaardformule (eigen vermogen vermeerderd met viermaal de EBITDA) vaak geen correcte weerspiegeling geven van de werkelijke economische waarde van een vennootschap.
Bij patrimoniumvennootschappen kan de boekhoudkundige EBITDA bijvoorbeeld beperkt zijn terwijl de onderliggende activa aanzienlijk meer waard zijn. Daarom is het essentieel om per vennootschap te beoordelen of die voorgeschoven berekening representatief is.
Indien dat niet het geval is, is het aangewezen om tijdig een representatieve waardering te laten opmaken.
Conclusie: meerwaardebelasting als nieuwe factor bij verkoop en familiale planning
Indien het huidige wetsontwerp in deze vorm zou worden goedgekeurd, betekent dit dat vanaf 1 januari 2026 meerwaardebelasting een relevante factor wordt bij de verkoop van financiële activa. Daarbij zijn niet alleen de toepasselijke tarieven van belang, maar vooral de kwalificatie van de verrichting, de structuur van de overdracht en de referentiewaarde per 31 december 2025, elementen die samen de uiteindelijke belastingdruk zullen bepalen.
Ook familiale planning vraagt aandacht. Hoewel schenkingen en erfenissen op zich buiten het toepassingsgebied vallen, kunnen latere overdrachten door de begiftigde wél leiden tot meerwaardebelasting.
Daarnaast wordt waardering een cruciaal aandachtspunt. Voor niet-beursgenoteerde participaties zal de gehanteerde referentiewaarde op 31 december 2025 later rechtstreeks de belastingdruk bepalen. De voorgestelde wettelijke waarderingsformule zal niet in elke situatie een getrouwe weerspiegeling zijn van de economische realiteit, waardoor een tijdige analyse en waar aangewezen een onafhankelijke waardering het verschil kunnen maken.
De bestaande planningsinstrumenten blijven in principe mogelijk, maar hun fiscale impact verandert substantieel door deze nieuwe belasting. Een proactieve evaluatie van structuren en waarderingen kan helpen onaangename fiscale verrassingen in de toekomst te vermijden.
Wij helpen je graag verder
💡Wij volgen de verdere parlementaire behandeling van het wetsontwerp nauwgezet op. Voor vragen over de mogelijke impact op jouw situatie, of voor een gerichte analyse van jouw structuren en waarderingen, kan je steeds contact opnemen met Dieter Bruneel via dieter.bruneel@denp.be.
Vind een kantoor in je buurt
Vind gemakkelijk een kantoor bij jou in de buurt en maak een afspraak voor een persoonlijk gesprek